Programma Masterconcert woensdag 25 augustus 2010

Schouwburg Orpheus, Wegenerzaal, aanvang 20.15 uur

Programma

Robert Schumann
(Duitsland, 1810 - 1856)
Drei “Fantasie Stücke” voor klarinet en piano, opus 73,
delen:
1. Zart und mit Ausdrück
2. Lebhaft, leicht
3. Rasch und mit Feuer
uitvoerenden:
Charles Neidich, klarinet;  Pascal Devoyon, piano;

Zoltán Kodály
(Hongarije, 1882 - 1967)
Duo voor viool en cello opus 7,
delen:
- Allegro serioso
- Adagio
- Maestoso e largamente ma non troppo
- Lento
uitvoerenden:
Philippe Graffin, viool; Raphael Wallfisch, cello;

Pauze

György Kurtág
(Hongarije, geb.1926)
Hommage aan Robert Schumann:
Trio voor piano, klarinet en altviool opus 15D,
uitvoerenden:
Daniël Kramer, piano; Charles Neidich, klarinet; Ásdís Valdimarsdóttir, altviool; 

Robert Schumann
(Duitsland, 1810 - 1856) 
Pianokwintet in Es opus 44, (1842)
delen:
- Allegro brillante, alla breve
- In modo d’una marcia, un poco largamente 
- Scherzo, moltovivace, trio 1, 2, coda
- Allegro, ma non troppo
uitvoerenden:
Philippe Graffin, viool; Cécile Gouder de Beauregard, viool; Ásdís Valdimarsdóttir, altviool; Raphael Wallfisch, cello; Pascal Devoyon, piano


Toelichting op de stukken door Annelies Gerritsen- Sauveplanne

Robert Schumann, Drei “Fantasie Stücke” voor klarinet en piano, opus 73,
Het jaar 1849 was voor Schumann een jaar van grote creativiteit. De in Frankrijk in 1848 uitgebroken
revolutie, waar de tweede republiek werd uitgeroepen, verspreidde zich over Europa en bereikte ook
Schumanns woonplaats Dresden, waardoor hij, na enkele patriottische liederen en marsen voor piano
te hebben gecomponeerd, de stad moest ontvluchten en onderdak op het platteland vond. Hier
componeerde hij, naast deze drie “Fantasie Stücke, ook liederen, koorwerken, kamermuziek, hoorn-
en piano concerten. Schumann muntte uit in de kleinere composities, waar hij zijn literaire- en natuur-
beschrijvende verbeelding de vrije loop kon laten, zoals in de kamermuziek. Deze kleinere werken zijn
poёtisch, zowel nostalgisch als heroïsch, zoals ook tot uiting komt in de “Fantasie Stücke”. Deze zijn
met elkaar verwant door de overeenkomst van de afwisselende motieven en ook uiterlijk vormen ze
een eenheid door de overgangen zonder pauze. Schumann zelf bewerkte deze fijnzinnige stemmings-
beelden ook voor viool of cello.

Zoltán Kodály (1882-1967), Duo voor viool en cello opus 7, (1914)
Voor de Hongaarse componist Kodály was het verzamelen van Hongaarse volksliederen een levens-
taak. Om de echte volksmuziek te ontdekken zwierf hij samen met Béla Bartók (1881-1945) door
Hongarije om met behulp van de Edisonfonograaf melodieёn te noteren. Kodály interesseerde zich
vooral voor het vocale aspect, terwijl Bartók speciale aandacht besteedde aan het instrumentale. Door
een bezoek aan Parijs in 1907 leerden beide de muziek van Debussy kennen, wat grote invloed had
op hun composities. Naast zijn muziekstudie wijdde Kodály zich aan Hongaarse en Duitse literatuur,
evenals aan taalwetenschap. In 1906 promoveerde hij tot doctor in de filosofie over het proefschrift:
“De Strofenbouw van het Hongaarse volkslied”. In de oorlogsjaren werkte hij aan een grote volks-
liederen bundel en ontwierp een methode voor het zang- en muziekonderwijs op de scholen, een
van de belangrijkste ontwikkelingen op dit gebied in de twintigste eeuw. Zijn composities, lyrisch en
melodieus, bevatten naast veel originele Hongaarse melodieёn, ook harmonieёn van de Franse
impressionisten. Kodály beschikte over een bijzondere kennis van het componeren voor de cello;
zijn werken bevatten de gehele scala aan technische- en expressieve mogelijkheden van het
instrument. In 1914 componeerde Kodály dit duo voor viool en cello waarin vooral in het expressieve
tweede en derde deel, zijn liefde voor Hongaarse volksmelodieёn duidelijk tot uiting komt.

György Kurtág (geb. 1926), Hommage aan Robert Schumann. Trio voor piano, klarinet en
altviool, opus 15D, 1950
De Hongaarse componist Kurtág is, na de tweede wereldoorlog, een van de belangrijkste componisten
van hedendaagse klassieke muziek. Kurtag werd geboren in het Roemeense Lugos, dat tot 1918 deel
uitmaakte van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. In 1948 kreeg hij de Hongaarse
nationaliteit. Na piano- en compositielessen studeerde Kurtág van 1946- 1955 aan de Ferenc Liszt
Academie voor muziek te Boedapest waar hij o.a. vriendschap sloot met György Ligeti. In 1957
studeerde hij een jaar te Parijs bij Olivier Messiaen en Darius Milhaud. Van 1958-1968 doceerde hij
aan het Bártók conservatorium en van 1967-1986 was hij benoemd tot hoogleraar piano en
kamermuziek aan de Ferenc Liszt Academie. Kurtág componeert vooral vocale-, piano- en kamer-
muziek. Als schakel met Hongarije heeft hij een voorliefde voor de cimbaal. Dichtkunst is voor hem
een inspiratiebron, evenals invloeden van Bártók en later Anton Webern, Stockhausen en Ligeti, maar
ook van Bach en componisten uit de Renaissance. Zijn muziek is diepgravend en fijnzinnig, vaak
bestaande uit muzikale fragmenten met een onberispelijke techniek. “Hommage aan Robert
Schumann” bestaat uit vijf zeer korte fragmenten, gevolgd door een langer deel. De verschillende
timbres van de drie instrumenten vloeien ineen. Muzikale verwijzingen naar werken van Schumann,
Kurtag en de renaissance musicus de Machaut (ca 1300-1377) komen kunstig samen. De delen zijn
grillig, rijk aan wisselende emoties, met namen zoals “Vivo” en ”In der Nacht” herinnerend aan
Schumann en refereren veelvuldig aan de figuren uit de werken van de dichter Jean Paul (1763-1825)
en de schrijver Hoffmann (1776-1822), die Schumann inspireerden, zoals de hartstochtelijke Florestan,
de dromerige Eusebius en de slimme Meester Raro. Het laatste deel, ”Abschied” beeldt een begrafenis
uit, het afscheid van Schumann, een groot componist uit de negentiende eeuw.

Robert Alexander Schumann (1810-1858), Pianokwintet in Es opus 44, 1842
Voor Robert Schumann, de meest romantische componist van de negentiende eeuw, was 1842 het
jaar van de kamermuziek. In dat jaar componeerde hij drie strijkkwartetten, een pianokwartet en zijn
enige pianokwintet, een van zijn belangrijkste werken en een hoogtepunt van de romantische kamer-
muziek. Schumann componeerde voor de vier strijkinstrumenten in dit werk alsof het orkestpartijen
waren, met een zeer belangrijke rol voor de pianopartij zoals dit in de negentiende eeuw voor kamer-
muziek in de huiselijke kring gebruikelijk werd. Hierdoor ontstond een geheel nieuwe instrumentale
stijl in meeslepende melodieёn en een zeer goed gebalanceerde relatie tussen piano en strijkers.
Het eerste deel, allegro brillante, zet met een fier hoofdthema in, waarna een zangerig tweede thema
volgt; in het tweede deel wordt het sombere verloop van de treurmars door onstuimige passages
verstoord; het derde deel, scherzo, is snel en levendig, terwijl in de coda het hoofdthema van het
eerste deel weer terugkomt. Het allegro, ma non troppo besluit de compositie. Na een intensieve
studie van klassieke werken, droeg Schumann dit kwintet op aan zijn vrouw Clara Wieck, een zeer
bekende pianiste, als verjaardagsgeschenk waarin hij o.a. een Romance verwerkte die zij voor hem
schreef, evenals een compositie van Bach: “Es ist volbracht” en een “Trio in Es” van Schubert. De
première op 13 september 1843 vond plaats in Leipzig ten huize van de familie Voigt, vrienden van
de familie Schumann. De pianopartij werd gespeeld door Felix Mendelssohn-Bartholdy.

last updated: 31-08-2010